Les 3: Hij is er niet
B
Peter: Die marketing manager…
Els: Bert, bedoel je?
Peter: Ja. Die woont ook in Leuven, he?
Els: Ja, in de Bergstraat. Hij woont er al
enkele jaren, denk ik.
Peter: Woont hij nog bij zijn moeder?
Els: Nee, hij woont alleen. Zijn moeder is
alleen maar op bezoek.
Peter: Aha. Pff, ik wacht al de hele ochtend op
een telefoontje.
Els: Van wie?
Peter: Van een collega. Hij moet mij bellen voor
een afspraak op maandag.
Els: Waarom bel je zelf niet?
Peter: Dat doe ik al de hele tijd. Maar hij is er
niet, want hij neemt niet op. Ik probeer
het nog eens.
Els: Ok. Terwijl jij belt, ga ik even naar de
supermarkt.
Peter: Je gaat nu?
Els: Ja, ik ga liever nu. Het is er nu nog niet
druk.
Peter: Ah ja. Ik houd helemaal niet van
winkelen…
Els: Ja, omdat je overal moet wachten en
omdat jij niet kan wachten.
Peter: Jaja. Als ik hem niet snel aan de lijn heb,
dan heb ik geen afspraak op maandag.
Els: Wel, succes! Tot straks!
Els komt terug thuis.
Peter: Els! Ik heb net mijn collega aan de
telefoon. Waar is mijn agenda?
Els: Die ligt toch naast de telefoon?
Peter: Nee, hij ligt er niet.
Els: Op de kast dan?
Peter: Nee, daar ligt hij ook niet.
Els: Op de tafel misschien?
Peter: OK, ik heb hem
.
ER vs. DAAR
ER
en DAAR verwijzen naar een ___________________
DAAR
kan niet/wel aan het begin van de zin staan.
ER
kan niet/wel aan het begin van de zin staan.
MAAR
…
daar
vs hier
Bert woont in de Bergstraat.
Hij woont er al enkele jaren.
Bert woont in de Bergstraat.
Hij woont daar al enkele jaren.
Daar woont hij al enkele jaren.
VRAGEN BEANTWOORDEN |
|
Wat wil Peter? Dat/Of zijn collega de telefoon opneemt. Wat vraagt Peter? Dat/Of Els zijn agenda ziet. |
Dat
Of |
Wanneer gaat Els naar de supermarkt? Terwijl/Als het er niet druk is. Terwijl/Als Peter naar zijn collega belt. |
Terwijl
Als |
Waarom houdt Peter niet van winkelen? Want hij kan niet wachten. Omdat hij niet kan wachten. |
Waarom? >>
want vs omdat:
|
CONDITIE |
|
Als ik hem niet snel aan de lijn heb, dan heb ik geen afspraak op maandag.
|
|
HUISWERK: Bedenk 5 zinnen met als... dan...
Zinsstructuur:
vragen beantwoorden:
|
|
|
|
Dat
|
zijn collega
|
de telefoon
|
opneemt.
|
Als
|
het |
er niet druk |
is. |
Omdat |
hij |
niet |
kan wachten. |
Terwijl |
Peter |
naar zijn collega |
belt. |
!! scheidbare werkwoorden!!
!! want !!
conditie/zinnen met terwijl:
Als ik hem niet snel aan de lijn heb, dan heb ik geen afspraak op maandag.
Terwijl Peter naar zijn collega belt, gaat Els naar de supermarkt.
Oefeningen:
Omcirkel het juiste antwoord:
Vera gaat misschien naar een voetbalwedstrijd van Xavier kijken.
Vera: Wat kan ik daar/hier doen? Een voetbalwedstrijd is saai!
Xavier: Maar Vera, je kan er/daar van alles doen. Je kan er/hier praten met de andere supporters, je kan
er/daar ook iets drinken.
Vera: MM. Ik blijf liever hier/er. Ik moet nog veel wiskunde studeren!
Xavier: Dat kan je daar/hier ook doen! Mijn professor wiskunde komt ook! Zijn zoon speelt met mijn
ploeg mee.
Vera: Xavier, ik blijf liever thuis. Hier/Er studeer ik goed.
Volg het model en probeer hangen, liggen, zitten of staan te gebruiken.
- Weet je waar mijn agenda is? (jouw kantoor)
- Hij ligt op jouw kantoor. - Nee, hij ligt er/daar niet.
Weet je waar mijn sleutels zijn? (in de woonkamer)
_________________________________________________________________________
Weet je waar mijn paraplu is? (op de gang)
_________________________________________________________________________
Weet je waar zijn auto is? (naast de auto van de directeur)
_________________________________________________________________________
Weet je waar de kinderen zijn? (in het zwembad)
_________________________________________________________________________
Weet je waar mijn kamerjas is? (in de badkamer)
_________________________________________________________________________
Kies want of omdat:
Ik moet nu vertrekken ____________________ ik heb een afspraak.
Hij rijdt niet met de auto _________________________ de wegen ‘s morgens te druk zijn.
Ik moet naar de winkel __________________ er is geen melk meer.
Hier mogen auto’s niet snel rijden _______________________ er veel kinderen in de buurt wonen.
Antwoord op de vragen met omdat:
Waarom ben je altijd te laat op je werk? (Ik ben moe).
__________________________________________________________________________
Waarom wil je nu al vertrekken? (Ik wil vandaag vroeg gaan slapen.)
__________________________________________________________________________
Waarom gaat Vera niet met Xavier mee? (Vera blijft liever thuis.)
__________________________________________________________________________
Maak 1 zin met terwijl:
Jij slaapt nog. Ik werk al.
__________________________________________________________________________
Mijn zus en ik gaan winkelen. Mijn broer werkt in de tuin.
__________________________________________________________________________
We drinken een kopje koffie. We babbelen over van alles.
__________________________________________________________________________
Lisa belt haar vriendin op. Jan maakt eten klaar.
__________________________________________________________________________
WOORDENLIJST
de supermarkt |
de supermarkten |
de agenda |
de agenda’s |
de voetbalwedstrijd |
de voetbalwedstrijden |
de supporter |
de supporters |
de wiskunde |
|
de kamerjas |
de kamerjassen |
|
|
het telefoontje |
de telefoontjes |
het zwembad |
de zwembaden |
het eten |
|
|
|
nat |
natte |
rijk |
rijke |
normaal |
normale |
|
|
van alles alleen maar |
|
|
|
op bezoek zijn/komen |
|
iemand aan de lijn hebben |
|
iemand aan de telefoon hebben |
|
|
|
proberen |
|
winkelen |
|
bedoelen |
|
denken |
|
babbelen |
|
roken |
|
|
|
OPNEMEN |
|
THUISKOMEN |
|
MEEGAAN (met) |
|
KLAARMAKEN |
|
OPBELLEN |
|
LES 4: Een trip naar Gent
Bij Bert thuis
Jennifer: Waar gaan we zaterdag naartoe, Bertje? Jij mag beslissen.
Bert: OK. Dan gaan we naar Brussel.
Jennifer: Naar Brussel? Dat is geen goed idee. Ik haat Brussel, het is een lelijke, vuile stad.
Bert: Wat is dat nu? Jij zegt dat ik mag beslissen. Ik beslis dat we naar Brussel gaan en nu zeg jij dat je
Jennifer: We gaan naar Gent.
Bert: Wat?
Jennifer: Ik zeg dat we naar Gent gaan. En ik wil dat die Paolo, die Italiaan, met ons meegaat.
Op het kot van Paolo
Els: Excuseer, kan je mij zeggen waar Paolo zit?
student: Is dat die Italiaan?
Els: Ja.
student: Op de tweede verdieping, de derde deur links.
Els: Hallo Paolo! Wat een mooi kot!
Paolo: Ja.. maar ik heb nog niet veel. Ik wil graag nog enkele dingen kopen: een zetel, een televisie…
Els: Een televisie? Je kan toch je Tvkabel aansluiten op je computer?
Paolo: Ja, maar mijn laptop heeft een klein scherm. Ik wil graag films op een groot scherm bekijken.
Els: Weet jij wel hoeveel een televisie kost?
Paolo: En weet jij wel hoe lang ik hier in Leuven blijf? Als ik hier zo lang blijf, dan wil ik comfortabel zitten.
Ik ben hier helemaal alleen, ik ken hier niemand.
Els: Maar je kent mij toch, en Peter, en Bert. Ik beloof je dat je niet vaak alleen zal zijn. En als je iets
nodig hebt, dan sta ik voor je klaar.
Paolo: Dankjewel. Ik weet wel dat ik niet echt alleen ben. Deze zaterdag ga ik met Bert en zijn moeder
naar Gent.
Els: Wat vind je van de moeder van Bert? Ik vind dat ze typisch Amerikaans is. Ze praat heel veel en ze
is heel dominant.
Paolo: Haha. Ik vind… Ik ben bang dat… Hoe zal ik het zeggen… Ik weet niet of ze wel intelligent is.
Els: Oh! Dat is gemeen. Ik denk alleen dat ze soms een beetje te brutaal is.
Paolo: Sorry. Weet jij hoe ze heet?
Els: Ik weet het niet zeker, maar ik geloof dat ze Jennifer heet.
Paolo: Aha. Wel, ik ben blij dat ik mag meegaan, want ik ken Gent nog niet.
Els: En het doet me plezier dat je zaterdag niet alleen zal zijn. Ik weet zeker dat de trip leuk zal zijn!
INDIRECTE VRAGEN |
||||
|
|
|
|
|
Kan je me zeggen Kan u me zeggen |
OF |
|
|
|
|
|
|
|
|
Weet je (wel) Weet u (wel) |
hoe laat |
|
|
|
hoe lang |
|
|
|
|
Ik weet Ik weet niet |
wanneer |
|
|
|
waar |
|
|
|
|
Ik vraag |
waarom |
|
|
|
Ik wil weten |
hoeveel |
|
|
|
De werkwoorden bij een indirecte vraag drukken meestal een ONZEKERHEID uit.
vragen of willen weten of niet weten of zich AFVRAGEN of
