Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
Lesmateriaal_Nederlands_II_2014_2.doc
Скачиваний:
1
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
5 Мб
Скачать
☆

Les 3: Hij is er niet

B

ij Els thuis

Peter: Die marketing manager…

Els: Bert, bedoel je?

Peter: Ja. Die woont ook in Leuven, he?

Els: Ja, in de Bergstraat. Hij woont er al

enkele jaren, denk ik.

Peter: Woont hij nog bij zijn moeder?

Els: Nee, hij woont alleen. Zijn moeder is

alleen maar op bezoek.

Peter: Aha. Pff, ik wacht al de hele ochtend op

een telefoontje.

Els: Van wie?

Peter: Van een collega. Hij moet mij bellen voor

een afspraak op maandag.

Els: Waarom bel je zelf niet?

Peter: Dat doe ik al de hele tijd. Maar hij is er

niet, want hij neemt niet op. Ik probeer

het nog eens.

Els: Ok. Terwijl jij belt, ga ik even naar de

supermarkt.

Peter: Je gaat nu?

Els: Ja, ik ga liever nu. Het is er nu nog niet

druk.

Peter: Ah ja. Ik houd helemaal niet van

winkelen…

Els: Ja, omdat je overal moet wachten en

omdat jij niet kan wachten.

Peter: Jaja. Als ik hem niet snel aan de lijn heb,

dan heb ik geen afspraak op maandag.

Els: Wel, succes! Tot straks!

Els komt terug thuis.

Peter: Els! Ik heb net mijn collega aan de

telefoon. Waar is mijn agenda?

Els: Die ligt toch naast de telefoon?

Peter: Nee, hij ligt er niet.

Els: Op de kast dan?

Peter: Nee, daar ligt hij ook niet.

Els: Op de tafel misschien?

Peter: OK, ik heb hem

.

ER vs. DAAR

ER en DAAR verwijzen naar een ___________________

DAAR kan niet/wel aan het begin van de zin staan.

ER kan niet/wel aan het begin van de zin staan.

MAAR …

daar vs hier

Bert woont in de Bergstraat.

Hij woont er al enkele jaren.

Bert woont in de Bergstraat.

Hij woont daar al enkele jaren.

Daar woont hij al enkele jaren.

VRAGEN BEANTWOORDEN

Wat wil Peter?

Dat/Of zijn collega de telefoon opneemt.

Wat vraagt Peter?

Dat/Of Els zijn agenda ziet.

Dat 

Of 

Wanneer gaat Els naar de supermarkt?

Terwijl/Als het er niet druk is.

Terwijl/Als Peter naar zijn collega belt.

Terwijl 

Als 

Waarom houdt Peter niet van winkelen?

Want hij kan niet wachten.

Omdat hij niet kan wachten.

Waarom? >>

want vs omdat:

CONDITIE

Als ik hem niet snel aan de lijn heb, dan heb ik geen afspraak op maandag.

HUISWERK: Bedenk 5 zinnen met als... dan...

Zinsstructuur:

  • vragen beantwoorden:

Dat

zijn collega

de telefoon

opneemt.

Als

het

er niet druk

is.

Omdat

hij

niet

kan wachten.

Terwijl

Peter

naar zijn collega

belt.

!! scheidbare werkwoorden!!

!! want !!

  • conditie/zinnen met terwijl:

Als ik hem niet snel aan de lijn heb, dan heb ik geen afspraak op maandag.

Terwijl Peter naar zijn collega belt, gaat Els naar de supermarkt.

Oefeningen:

  1. Omcirkel het juiste antwoord:

Vera gaat misschien naar een voetbalwedstrijd van Xavier kijken.

Vera: Wat kan ik daar/hier doen? Een voetbalwedstrijd is saai!

Xavier: Maar Vera, je kan er/daar van alles doen. Je kan er/hier praten met de andere supporters, je kan

er/daar ook iets drinken.

Vera: MM. Ik blijf liever hier/er. Ik moet nog veel wiskunde studeren!

Xavier: Dat kan je daar/hier ook doen! Mijn professor wiskunde komt ook! Zijn zoon speelt met mijn

ploeg mee.

Vera: Xavier, ik blijf liever thuis. Hier/Er studeer ik goed.

  1. Volg het model en probeer hangen, liggen, zitten of staan te gebruiken.

- Weet je waar mijn agenda is? (jouw kantoor)

- Hij ligt op jouw kantoor. - Nee, hij ligt er/daar niet.

  1. Weet je waar mijn sleutels zijn? (in de woonkamer)

_________________________________________________________________________

  1. Weet je waar mijn paraplu is? (op de gang)

_________________________________________________________________________

  1. Weet je waar zijn auto is? (naast de auto van de directeur)

_________________________________________________________________________

  1. Weet je waar de kinderen zijn? (in het zwembad)

_________________________________________________________________________

  1. Weet je waar mijn kamerjas is? (in de badkamer)

_________________________________________________________________________

  1. Kies want of omdat:

  1. Ik moet nu vertrekken ____________________ ik heb een afspraak.

  2. Hij rijdt niet met de auto _________________________ de wegen ‘s morgens te druk zijn.

  3. Ik moet naar de winkel __________________ er is geen melk meer.

  4. Hier mogen auto’s niet snel rijden _______________________ er veel kinderen in de buurt wonen.

  1. Antwoord op de vragen met omdat:

  1. Waarom ben je altijd te laat op je werk? (Ik ben moe).

__________________________________________________________________________

  1. Waarom wil je nu al vertrekken? (Ik wil vandaag vroeg gaan slapen.)

__________________________________________________________________________

  1. Waarom gaat Vera niet met Xavier mee? (Vera blijft liever thuis.)

__________________________________________________________________________

  1. Maak 1 zin met terwijl:

  1. Jij slaapt nog. Ik werk al.

__________________________________________________________________________

  1. Mijn zus en ik gaan winkelen. Mijn broer werkt in de tuin.

__________________________________________________________________________

  1. We drinken een kopje koffie. We babbelen over van alles.

__________________________________________________________________________

  1. Lisa belt haar vriendin op. Jan maakt eten klaar.

__________________________________________________________________________

WOORDENLIJST

de supermarkt

de supermarkten

de agenda

de agenda’s

de voetbalwedstrijd

de voetbalwedstrijden

de supporter

de supporters

de wiskunde

de kamerjas

de kamerjassen

het telefoontje

de telefoontjes

het zwembad

de zwembaden

het eten

nat

natte

rijk

rijke

normaal

normale

 

van alles

alleen maar

 

 

op bezoek zijn/komen

 

iemand aan de lijn hebben

iemand aan de telefoon hebben

 

proberen

 

winkelen

bedoelen

denken

babbelen

roken

OPNEMEN

THUISKOMEN

MEEGAAN (met)

KLAARMAKEN

OPBELLEN

LES 4: Een trip naar Gent

Bij Bert thuis

Jennifer: Waar gaan we zaterdag naartoe, Bertje? Jij mag beslissen.

Bert: OK. Dan gaan we naar Brussel.

Jennifer: Naar Brussel? Dat is geen goed idee. Ik haat Brussel, het is een lelijke, vuile stad.

Bert: Wat is dat nu? Jij zegt dat ik mag beslissen. Ik beslis dat we naar Brussel gaan en nu zeg jij dat je

niet naar Brussel wil.

Jennifer: We gaan naar Gent.

Bert: Wat?

Jennifer: Ik zeg dat we naar Gent gaan. En ik wil dat die Paolo, die Italiaan, met ons meegaat.

Op het kot van Paolo

Els: Excuseer, kan je mij zeggen waar Paolo zit?

student: Is dat die Italiaan?

Els: Ja.

student: Op de tweede verdieping, de derde deur links.

Els: Hallo Paolo! Wat een mooi kot!

Paolo: Ja.. maar ik heb nog niet veel. Ik wil graag nog enkele dingen kopen: een zetel, een televisie…

Els: Een televisie? Je kan toch je Tvkabel aansluiten op je computer?

Paolo: Ja, maar mijn laptop heeft een klein scherm. Ik wil graag films op een groot scherm bekijken.

Els: Weet jij wel hoeveel een televisie kost?

Paolo: En weet jij wel hoe lang ik hier in Leuven blijf? Als ik hier zo lang blijf, dan wil ik comfortabel zitten.

Ik ben hier helemaal alleen, ik ken hier niemand.

Els: Maar je kent mij toch, en Peter, en Bert. Ik beloof je dat je niet vaak alleen zal zijn. En als je iets

nodig hebt, dan sta ik voor je klaar.

Paolo: Dankjewel. Ik weet wel dat ik niet echt alleen ben. Deze zaterdag ga ik met Bert en zijn moeder

naar Gent.

Els: Wat vind je van de moeder van Bert? Ik vind dat ze typisch Amerikaans is. Ze praat heel veel en ze

is heel dominant.

Paolo: Haha. Ik vind… Ik ben bang dat… Hoe zal ik het zeggen… Ik weet niet of ze wel intelligent is.

Els: Oh! Dat is gemeen. Ik denk alleen dat ze soms een beetje te brutaal is.

Paolo: Sorry. Weet jij hoe ze heet?

Els: Ik weet het niet zeker, maar ik geloof dat ze Jennifer heet.

Paolo: Aha. Wel, ik ben blij dat ik mag meegaan, want ik ken Gent nog niet.

Els: En het doet me plezier dat je zaterdag niet alleen zal zijn. Ik weet zeker dat de trip leuk zal zijn!

INDIRECTE VRAGEN

Kan je me zeggen

Kan u me zeggen

OF

Weet je (wel)

Weet u (wel)

hoe laat

hoe lang

Ik weet

Ik weet niet

wanneer

waar

Ik vraag

waarom

Ik wil weten

hoeveel

De werkwoorden bij een indirecte vraag drukken meestal een ONZEKERHEID uit.

vragen of willen weten of niet weten of zich AFVRAGEN of

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]